De politie speelt wel degelijk een rol in het civielrecht, zij het een zeer beperkte, maar dat even terzijde.
Een dief die een goed bezit is geen eigenaar (dat moge duidelijk zijn) en hij kan ook niet als houder worden aangemerkt, omdat het kenmerk van een houder is, dat hij het eigendomsrecht van een ander erkent en dat doet een dief niet.
Een dief kan eigenaar worden van een goed, als er een termijn van 20 jaren is verstreken en als het goed in de tussentijd niet door de rechthebbende (eigenaar) is opgeeist.
Zie de toelichting van Stapel & De Koning hierover:
De verkrijgende verjaring eist steeds het bezit van een goed gedurende een bepaalde tijd. De duur van het vereiste bezit hangt af van de soort van het goed (roerende of onroerende zaken en vermogensrechten), alsmede van de vraag of het bezit al dan niet te goeder trouw was (m.a.w. of men al dan niet wist of behoorde te weten dat men geen volledig recht had op het goed: bij zaken: dat men geen eigenaar daarvan was). Het begrip ‘goede trouw’ is in § 1.3.5 reeds behandeld).
In artikel 3:99 gaat het de wetgever om de verjaring die plaats vindt bij een bezitter te goeder trouw. Betreft zijn onafgebroken bezit een roerende (stoffelijke) zaak, dan wordt het bezit reeds na drie jaar van rechtswege tot eigendom; voor onroerende zaken en andere vermogensrechten is een termijn van tien jaar vereist. Bij een termijn mag de tijdsduur van een eventueel reeds ten behoeve van een rechtsvoorganger lopende verjaring worden opgeteld (art. 3:102).
Maar zelfs een bezitter die niet te goeder trouw is, kan door verjaring het eigendomsrecht verkrijgen. In art. 3:105 legt de wetgever daartoe een verband tussen de bevrijdende en de verkrijgende verjaring: wanneer een eigenaar gedurende 20 jaar nalaat om zijn zaak te revindiceren, vervalt op grond van art. 3:306 daarna zijn recht om de zaak terug te vorderen. Op het moment dat aldus het recht van revindicatie verjaart, verkrijgt een bezitter op grond van art. 3:105 in ieder geval het eigendomsrecht, ook wanneer zijn bezit niet te goeder trouw was!
De bedoeling van de wetgever met de regeling van de verkrijgende verjaring is redelijk: de periode dat de juridische toestand (het eigendomsrecht) niet overeenstemt met de feitelijke toestand (het bezit door iemand die geen eigenaar is), mag niet te lang duren. De rechtszekerheid vereist nu eenmaal dat het recht na verloop tijd aansluit bij de feitelijke gegroeide toestand. Afhankelijk van de aard van het bezit en de soort van het goed moet de juridische toestand zich daarom na verloop van korte of langere tijd ‘aanpassen’ aan de feitelijke toestand, waardoor het bezit tot eigendom wordt.