Ik begrijp u verhaal dat een artikel 5 wel duidelijk moet blijken, maar zoals ik al zei het verhaal van TS is te sumier.
artikel 5 in de wetgeving en de uiteindelijke uitspraak, men houd rekening met de volgende volgorde;
1. RVV1990
2. Verantwoordelijkheid
3. Artikel 5
artikel 5 verkeersovertreding
Moderator: Moderatorteam
- ThunderSTreak
- Berichten: 6252
- Lid sinds: 18 jul 2004, 16:06
- Locatie: Ulvenhout
- Geslacht:
- Leeftijd: 67
- Contact:
Ik denk dat we hier allen driftig aan het speculeren zijn. De enige die kan aangeven wat de gevaarzetting concreet was in deze situatie is de verbalisant. Dan zal blijken uit de reactie van het OM in hoeverre deze daar in meegaat en welke sanctie daaraan verbonden wordt.
Met vriendelijke groet,
ThunderSTreak
drive safe4safety
ThunderSTreak
drive safe4safety
- zijlvaart67
- Berichten: 15023
- Lid sinds: 31 jul 2003, 20:18
- Geslacht:
- Leeftijd: 59
- Contact:
Even weggeweest, maar ik ben er weer...
Het bekeuren ogv art 5 WVW wordt helaas veel te weinig toegepast. De 'onkunde met de mogelijkheden van dit artikel' en het 'gebruiksgemak van een Muldertje' spelen de diender vaak parten, vrees ik..
Het loont echter wel als je je erin verdiept...
Of dat in het bovenstaande ook het geval is, durf ik niet te beoordelen, maar de opmerking dat door 'de politie' een gevaarlijke situatie ontstaat, gaat me wel wat ver... Dan zou ikzelf al strafbaar zijn voor art 5 zodra ik de poort uitrijd, want dan begin ik al met 'aandacht trekken' en zijn de eventuele gevolgen 'mijn schuld'...
Maar, los daarvan, een stukje bespreking van art 5 wvw:
Het bekeuren ogv art 5 WVW wordt helaas veel te weinig toegepast. De 'onkunde met de mogelijkheden van dit artikel' en het 'gebruiksgemak van een Muldertje' spelen de diender vaak parten, vrees ik..
Het loont echter wel als je je erin verdiept...
Of dat in het bovenstaande ook het geval is, durf ik niet te beoordelen, maar de opmerking dat door 'de politie' een gevaarlijke situatie ontstaat, gaat me wel wat ver... Dan zou ikzelf al strafbaar zijn voor art 5 zodra ik de poort uitrijd, want dan begin ik al met 'aandacht trekken' en zijn de eventuele gevolgen 'mijn schuld'...
Maar, los daarvan, een stukje bespreking van art 5 wvw:
4 Het gevaar op de weg
Zoals hiervoor reeds is aangegeven kent de delictsomschrijving van art. 5 een viertal verboden, waarvan er twee als volgt zijn omschreven:
- dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt;
- dat gevaar op de weg kan worden veroorzaakt.
Daarbij is de opmerking gemaakt dat deze verboden taalkundig en in het maatschappelijk verkeer erg ver gaan en dat het nauwelijks mogelijk lijkt in het huidige verkeer om je van punt A naar punt B te verplaatsen, zonder vele malen deze normen te hebben geschonden. Deze gedachte wordt ingegeven door het feit dat verkeer per definitie een bezigheid is waardoor gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt.
In de literatuur en in de (lagere) rechtspraak wordt deze vergaande omschrijving van de wetgever dan ook niet gevolgd. Zeker in de (lagere) rechtspraak wordt als voorwaarde voor een veroordeling terzake van deze norm van art. 5 WVW 1994 ten minste vereist dat er sprake is van een concrete vorm van gevaar. Het schenden van een geschreven norm (bijv. het verbod om door het rode verkeerslicht te rijden) levert in het algemeen niet de overtreding van art. 5 WVW 1994 op. Pas wanneer het rijden door het rode licht met zich meebrengt dat kruisend verkeer daardoor moest uitwijken om een aanrijding te voorkomen, levert dit gedrag een schending op van art. 5 WVW 1994. Immers, het rijden door rood licht, in samenhang met het uitwijken van het kruisende verkeer teneinde een aanrijding te voorkomen, levert op het feit dat concreet gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt. Indien er door dit gedrag sprake is van een ongeval, dan is dit uiteraard de meest duidelijke indicatie van het feit dat gevaar op de weg werd veroorzaakt. Echter, indien er geen sprake is van een ongeval dient er ten minste een reële kans op een ongeval te zijn ontstaan.
Uitgaande van het feit dat er niet alleen een geschreven of een ongeschreven norm moet zijn geschonden, doch ook een concrete gevaarszetting moet zijn ontstaan, moge duidelijk zijn dat de volgende voorbeelden niet vallen onder de norm van art. 5 WVW 1994:
- een automobilist rijdt met 120 km/u over de zeer drukke derde rijstrook van een autosnelweg, terwijl hij met de hoorn van zijn autotelefoon tegen het oor gedrukt een intensief gesprek voert;
- een automobilist rijdt met 120 km/u over de zeer drukke derde rijstrook van een autosnelweg terwijl hij kennelijk om een juiste keuze te maken bij de naderende afslag, een landkaart over zijn stuur heeft uitgespreid en afwisselend zijn blik op de weg en op zijn landkaart werpt.
Pas wanneer het gedrag van de automobilist in deze beide voorbeelden zodanig is dat het verkeer in gevaar wordt gebracht (er volgt een aanrijding) dan wel in gevaar kan worden gebracht (de automobilist maakt een slingerbeweging, doch weet zijn voertuig weer onder controle te brengen) en de oorzaak blijkt te zijn gelegen in het telefoneren c.q. het kaartlezen, dan is er sprake van schending van art. 5 WVW 1994.
5 De hinder op de weg
Hiervoor is aangegeven dat de delictsomschrijving van art. 5 nog een tweetal verboden kent, die als volgt zijn omschreven:
- dat het verkeer op de weg wordt gehinderd;
- dat het verkeer op de weg kan worden gehinderd.
Hierbij is de opmerking gemaakt dat deze verboden taalkundig en in het maatschappelijk verkeer erg ver gaan en dat het in het licht van de huidige verkeersintensiteit nauwelijks mogelijk lijkt om van oost naar west, of van noord naar zuid te rijden, zonder in een file terecht te komen en daardoor ‘het verkeer op de weg hinderen’.
Taalkundig bezien betekent hinder: overlast of belemmering. Zó uitgelegd zou het betekenen dat het verboden is je zodanig te gedragen dat verkeer op de weg door jouw aanwezigheid overlast ondervindt of kan ondervinden, dan wel het verkeer belemmerd wordt of kan worden belemmerd.
In de Nota van Toelichting bij dit wetsartikel zegt de wetgever dat de gekozen formulering dat het verboden is zich zodanig te gedragen dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd, de mogelijkheid biedt tegen minder vergaande inbreuken op de doorstroming van het verkeer of de kans daarop op te treden. Vervolgens zegt de wetgever woordelijk: ‘Overigens is het niet de bedoeling dat bij iedere vorm van hinder de algemene bepaling zal worden toegepast. Immers, lichte vormen van hinder zijn in het hedendaagse verkeer niet te vermijden. De bepaling strekt er slechts toe evidente (duidelijke, zonneklare) vormen van hinder aan te pakken. Uiteraard ontstaat er dan een spanningsveld tussen hetgeen de wetgever als norm aangeeft (het verkeer mag niet worden gehinderd c.q. kunnen worden gehinderd) en de gedachtengang van de wetgever (slechts duidelijke vormen van hinder mogen worden aangepakt).
Vanuit de gedachtengang van de wetgever zal slechts in een beperkt aantal gevallen terzake van deze norm (hinderen of kunnen hinderen) kunnen worden opgetreden. Ik kan mij dit voorstellen in het volgende geval: Een automobilist rijdt met een snelheid van ongeveer 40 km/uur over de autosnelweg, waardoor veel voertuigen moeten afremmen en uitwijken. Hoewel geen regels zijn gegeven voor het minimum snelheidsgedrag op een autosnelweg, zou een dergelijk gedrag dat zo sterk afwijkt van het overige snelheidsgedrag, de norm van art. 5 WVW 1994 schenden ten aanzien van het hinderen of kunnen hinderen van het verkeer op de weg.
Het vorenstaande geeft al aan dat de rechtspraak in de toekomst de grenzen van dit onderdeel van art. 5 WVW 1994 zal moeten bepalen. Heel vaak zullen daarbij feitelijke situaties door individuele rechters worden beoordeeld en gewaardeerd. Dit is echter geen garantie voor een heldere jurisprudentie.
6 Verhouding tot de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder)
Door het Openbaar Ministerie is in de Aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften ten aanzien van de verhouding tussen art. 5 WVW 1994 en de Wet Mulder, onder punt 1. het volgende vastgesteld:
‘Indien een proces-verbaal wordt opgemaakt terzake overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) is het niet toegestaan om daarnaast sancties op te leggen of politietransactievoorstellen te doen voor feiten die in relatie staan tot het gevaarlijke c.q. belemmerende gedrag op de weg. Deze bepaling is opgenomen omdat in het geval dat een procesverbaal wordt opgemaakt terzake van overtreding van artikel 5 WVW 1994 en daarnaast aan dat artikel gerelateerde sancties worden opgelegd, de kans bestaat dat de officier van justitie niet meer kan vervolgen. Dit vloeit voort uit art. 68 W v Sr (ne bis in idem). Als voorbeeld kan worden aangegeven het feit dat een bestuurder gevaarlijk rijgedrag vertoont en daarbij tevens door een rood verkeerslicht rijdt.’
Ook indien de gedraging geen relatie heeft met de overtreding van art. 5 WVW 1994 (bijv. de bestuurder brengt het verkeer in gevaar en tevens ontbreekt de linkerbuitenspiegel van zijn auto) is het ongewenst de verdachte/betrokkene voor beide feiten aan te spreken. Immers, onder punt 1. van genoemde Aanwijzing is door het Openbaar Ministerie het volgende standpunt ingenomen ten aanzien van de samenloop tussen gedragingen en strafbare feiten:
‘Afdoening langs één traject is het uitgangspunt. Indien zowel de strafrechtelijke als de administratiefrechtelijke weg wordt bewandeld dient in het proces-verbaal melding te worden gemaakt van de opgelegde sanctie(s) en op de aankondiging van de beschikking van het/de opgemaakte processen-verbaal. Van deze mogelijkheid dient slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik te worden gemaakt..’
7 Slotopmerkingen
Art. 5 WVW 1994 kan zich bepaald niet verheugen in een grote aandacht van de opsporingsambtenaren. Dit vindt zeer waarschijnlijk zijn oorzaak in het feit dat het opmaken van dit proces-verbaal bij geconstateerde overtreding een zekere mate van deskundigheid over de juridische mogelijkheden en onmogelijkheden vereist. Daarbij moet worden vastgesteld dat dit proces-verbaal ook veel bewerkelijker is dan het opleggen van een administratiefrechtelijke beschikking. Daarnaast neemt de strafrechtelijke procedure ook meer tijd in beslag dan de administratiefrechtelijke. Allemaal redenen om, indien de mogelijkheid zich voordoet, het administratiefrechtelijke in plaats van het strafrechtelijke traject te kiezen.
Men dient zich echter te realiseren dat het strafrechtelijke traject een hogere strafmaat kent dan het administratiefrechtelijke, en in tegenstelling tot het administratiefrechtelijke instrumentarium, de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid kent. Dit argument zou bij duidelijke gevallen van gevaarlijk of hinderlijk weggedrag toch een belangrijke rol moeten spelen.
'Dingen simpel houden is heel moeilijk, dingen moeilijk maken is daarentegen heel simpel..'