WVW 1994 aanstaltenmaker, poger tot

In dit forum staan de afgesloten onderwerpen uit Stel uw vraag als Gast.

Moderator: Moderatorteam

Gebruikersavatar
rai
In Memoriam
KMAR
Berichten: 7402
Lid sinds: 06 jul 2004, 21:54
Locatie: Regio Rotterdam Rijnmond
Geslacht:
Contact:

Ongelezen bericht door rai »

Guido schreef:Maar als de politie je nu ook nog eens expliciet verteld dat je neit mag rijden, dan wordt daar gewoon zwaarder aan getild.
Guido, het doen van een mondelinge mededeling is niet voldoende.
Je dient het schriftelijk aan de persoon te geven, met daarin nog een aantal zaken.

Wetstekst

Artikel 162 WVW

1. Een van de in artikel 159, onderdelen a, bedoelde personen kan de bestuurder van een voertuig van wie, uit het in artikel 160, vijfde lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die persoon gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een voertuig behoorlijk te besturen, een rijverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen.

2. De opsporingsambtenaar die een rijverbod oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.

3. Het is degene aan wie een rijverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod geldt.
Gebruikersavatar
Guido TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door Guido »

Ik zie nergens dat dat op dat moment schriftelijk moet.
Dat mag volgens mij ook achteraf zijn opgemaakt.
Gebruikersavatar
beamer TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door beamer »

Hallo Nanc
Een paar opmerkingen over hetgeen jij hebt gezegd:
- het is niet altijd zo dat alleen een poging tot misdrijf strafbaar is. Als de handeling 'het doen van een poging tot...' op zichzelf als delictsomschrijving wordt gehanteerd, kan een poging tot overtreding ook strafbaar zijn, zie bijvoorbeeld de Flora en Faunawet.

- er is een wazige en ingewikkelde grens tussen de begrippen 'aanstaltenmaker' en degene die een (strafbare) 'poging tot het plegen van art. 8 WVW' doet. Die grens is moeilijk aan te geven, maar het kenmerkende van een poging is dat er (zoals al eerder opgemerkt) een begin van uitvoering van bestanddelen van het delict moet zijn.
Maar die grens is flinterdun. Uit de rechtspraak is gebleken dat er sprake was van een verdachte van een poging tot art. 8 toen de persoon op de bestuurdersstoel had plaatsgenomen, de gordel had omgedaan, de motor had gestart en de auto in de 1e versnelling had gezet en dat de politieambtenaar had ingegrepen voordat hij het koppelingspedaal had laten opkomen, zodat de auto in beweging kwam. Dus: flinterdun, want 1 moment later en het voertuig was wel in beweging gekomen en dan zou er geen sprake meer zijn van een poging, maar van het voltooide feit.

Kortom het blijft heel erg moeilijk, maar slotsom blijft dat degene die aanstalten maakt het voertuig te gaan besturen, zonder dat er echt sprake zou zijn van een begin van uitvoering, zou je als aanstaltenmaker kunnen aanmerken. Het volgende probleem is dan: welke vereisten zijn er dan voor het kunnen aanmerken als aanstaltenmaker, want dat is ook zeer voor discussie vatbaar, onduidelijk en casusafhankelijk.

- wat wel blijft is, dat er een groot verschil bestaat tussen de dwangmiddelen die op een aanstaltenmaker en op de verdachte (van een poging tot...) kunnen worden toegepast. De aanstaltenmaker kan verplicht worden om mee te werken aan de blaasproef op straat en als daaruit blijkt, dat hij alcoholhoudende drank heeft gebruikt, kan alleen nog maar een rijverbod worden opgelegd, terwijl de verdachte door de gehele art. 8 WVW-procedure heen geloodsd kan worden en kan worden aangehouden en overgebracht naar het politiebureau.
Gebruikersavatar
Nanc TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door Nanc »

Een beschikking gaat pas in nadat het overhandigd is aan de persoon, voor zover ik weet. (zie ook Awb)
Gebruikersavatar
beamer TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door beamer »

Guido schreef:Ik zie nergens dat dat op dat moment schriftelijk moet.
Dat mag volgens mij ook achteraf zijn opgemaakt.
Daar is jurisprudentie over: het rijverbod kan pas ingaan, als de beschikking die daarop betrekking heeft, schriftelijk aan de bestuurder is uitgereikt. Eerder kan en mag de termijn niet ingaan en het mag ook niet mondeling gebeuren, omdat hier sprake is van een bestuursrechtelijke handeling.

bedankt Nanc, ik was iets later met mijn reactie.
Laatst gewijzigd door beamer op 04 apr 2006, 17:26, 1 keer totaal gewijzigd.
Gebruikersavatar
Guido TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door Guido »

Nanc schreef:Guido,

Dan krijg je toch een grijs gebied of niet?

Aanstaltenmaker: iemand die naar zijn auto loopt (al dan niet onder invloed)

Poger tot: iemand die een begin maakt door gedragingen, die tevens verdachte is.

Wat is iemand dan die al wel een begin maakt met de gedragingen, maar geen verdachte is? Toch ook nog een aanstaltenmaker?

Ik merk dat bij jullie het aanstalten maken alleen het naar de auto toe lopen is. Dat lijkt mij nou juist juridisch niet juist. Ook iemand die al in de auto zit en motor start is nog steeds aanstaltenmaker als hij niet verdacht wordt. Dit veranderd als hij na blaastest wel verdacht wordt, dan wordt hij poger tot.

Waarom stopt bij jullie het zijn van aanstaltenmaker bij het naar de auto lopen (al dan niet onder invloed) :?:
gedragingen zijn wat anders, dat zijn overtredingen die afgehandeld worden via de wet mulder.

Het is geen grijs gebied.
artikel 45 van het wetboek van strafrecht is heel duidelijk:

Wetstekst

Poging tot misdrijf is strafbaar wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van een uitvoering heeft geopenbaard
de wetgever heeft nou eenmaal bepaald dat iemand die onder invloed richting zijn auto loopt niet strafbaar is voor een poging tot rijden onder invloed, m.a.w. die kunnen wij als politie niets maken.

Daarom is in de wegenverkeerswet het artikel opgenomen die RAI hierboven neerzette, waarin eigenlijk al een speciale bevoegdheid is opgenomen om het rijden onder invloed te voorkomen.
Gebruikersavatar
Guido TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door Guido »

een poging tot een gedraging, (een lichte verkeersovertreding) is niet strafbaar.

Alleen pogingen tot misdrijven zijn strafbaar.

Artikel 8 is een misdrijf, geen overtreding.
Gebruikersavatar
beamer TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door beamer »

Iemand die onder invloed van alcohol naar zijn auto loopt, hoeft ook nog geen aanstaltenmaker te zijn, daar is wel iets meer voor nodig.
Gebruikersavatar
beamer TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door beamer »

Guido schreef:een poging tot een gedraging, (een lichte verkeersovertreding) is niet strafbaar.

Alleen pogingen tot misdrijven zijn strafbaar.

Artikel 8 is een misdrijf, geen overtreding.
Ik denk dat Nanc het woord 'gedragingen' in grammaticale zin gebruikt en niet in de juridische (Wet Mulder) zin.
Gebruikersavatar
Nanc TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door Nanc »

Hoi Beamer,

Bedankt voor je heldere uiteenzetting.

Zou je voor mij ook nog eens naar de vraag die ik Guido stelde, op de eerste pagina onderaan, willen kijken? Over dat grijze gebied?
Gebruikersavatar
rai
In Memoriam
KMAR
Berichten: 7402
Lid sinds: 06 jul 2004, 21:54
Locatie: Regio Rotterdam Rijnmond
Geslacht:
Contact:

Ongelezen bericht door rai »

beamer schreef:
Guido schreef:Ik zie nergens dat dat op dat moment schriftelijk moet.
Dat mag volgens mij ook achteraf zijn opgemaakt.
Daar is jurisprudentie over: het rijverbod kan pas ingaan, als de beschikking die daarop betrekking heeft, schriftelijk aan de bestuurder is uitgereikt. Eerder kan en mag de termijn niet ingaan en het mag ook niet mondeling gebeuren, omdat hier sprake is van een bestuursrechtelijke handeling.
Dank je Beamer, dat is wat ik inderdaad bedoelde, duurde alleen even voor ik hem gevonden had. :lol:

Guido, succes met doorlezen. :wink:
Hoge Raad schreef: LJN:?AS6017,?Hoge Raad, 02415/04 Printbare?versie


Datum uitspraak: 12-04-2005
Datum publicatie: 12-04-2005
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie: Het rijverbod ex art. 162.2 WVW 1994 heeft eerst rechtskracht na de vastlegging in een beschikking en de bekendmaking daarvan aan de betrokkene (art. 3:41.1 Awb). ’s Hofs oordeel dat de omstandigheid dat het rijverbod mondeling is opgelegd niet in de weg staat aan de geldigheid van het verbod, is derhalve onjuist.





Uitspraak

12 april 2005
Strafkamer
nr. 02415/04
AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 juni 2004, nummer 23/000709-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 23 oktober 2002 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 162, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van zeventig uren, subsidiair 35 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.P. Nan, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het ten aanzien van feit 2 gevoerde verweer heeft verworpen dat de verdachte niet als bestuurder in de zin van art. 162, eerste lid, WVW 1994 kon worden aangemerkt. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof het verweer dat geen sprake is van een rijverbod in de zin van voormelde bepaling nu het rijverbod niet in een schriftelijke beschikking is vastgelegd, die aan de verdachte is uitgereikt, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2.1. Onder 2 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
"op 2 augustus 2002 om ongeveer 5.20 uur te Amsterdam als degene aan wie een rijverbod als bedoeld in art. 162, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 was opgelegd, gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod gold een voertuig, personenauto, heeft bestuurd."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. Een ambtsedig proces-verbaal van 2 augustus 2002 opgemaakt door P. Meijer en T. Moussa, beiden hoofdagent van politie, regiopolitie Amsterdam-Amstelland, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:
"Op 2 augustus 2002 omstreeks 05.05 uur bevonden wij ons op de Albert Cuypstraat te Amsterdam. Wij zagen daar een persoon die later opgaf te zijn genaamd [verdachte]. Wij zagen dat naast [verdachte] een personenauto stond van het merk BMW, type 735, voorzien van het kenteken [...]. Wij zagen dat [verdachte] onvast ter been stond en bloeddoorlopen ogen had. Voorts roken wij dat de adem van [verdachte] riekte naar inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Op de daartoe strekkende vraag hoorden wij [verdachte] zeggen dat hij het zojuist gereden had. Te 05.07 uur heb ik, eerste verbalisant, [verdachte] aangezegd dat hij geen motorrijtuigen meer mocht besturen voor de duur van tenminste vier uren. Ik heb [verdachte] uitgelegd dat het overtreden van dit rijverbod een misdrijf van de Wegenverkeerswet oplevert. Wij hoorden [verdachte] zeggen dat hij het begreep.
"Op 2 augustus 2002 omstreeks 05.20 uur zagen wij verbalisanten dat de eerdergenoemde BMW niet meer op de Albert Cuypstraat stond. Hierop hebben wij het kenteken en de kenmerken van de auto doorgegeven over de mobilofoon van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, teneinde een controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994 uit te voeren. Onmiddellijk hoorden wij over de mobilofoon dat collega's Bakker en Joosten de auto zagen rijden op de Mr. Treublaan te Amsterdam. Zij hebben de bestuurder van de personenauto BMW, type 735, voorzien van het kenteken [...], een stopteken gegeven, waaraan werd voldaan. Omstreeks 05.23 uur arriveerden wij bij de bestuurder van de BMW. Wij zagen dat de bestuurder de eerdergenoemde [verdachte] was aan wie ik, eerste verbalisant, een rijverbod had gegeven. Wij hebben de bestuurder aangehouden. De verdachte gaf mij, eerste verbalisant, op te zijn genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970."

b. een ambtsedig proces-verbaal van 2 augustus 2002 opgemaakt door T. Moussa voornoemd, voorzover inhoudende,

zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:
"Ik erken na het nuttigen van alcoholhoudende drank als bestuurder te zijn opgetreden. Mijn alcoholgebruik over de laatste 24 uur, voorafgaande aan het gepleegde feit, bedroeg: vijf glazen dropshots (mengsel van diverse alcoholsoorten) en vijf of zes glazen bier. Ik heb vanochtend van uw collega te horen gekregen dat ik niet kan rijden, want volgens hem had ik te veel gedronken. Ik ben gaan rijden. Een paar minuten erna kreeg ik een stopteken van uw collega's. Daarna werd ik aangehouden."

3.2.3. Het bestreden arrest houdt omtrent de in de middelen bedoelde verweren het volgende in:
"De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, nu niet is voldaan aan de voorschriften gesteld in artikel 162 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Meer in het bijzonder heeft de raadsman hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
Verdachte was geen bestuurder van een voertuig noch maakte hij aanstalten een voertuig te gaan besturen. Reeds om die reden was er geen bevoegdheid om hem een rijverbod op te leggen. (...) Tenslotte, zo betoogt de raadsman, is er geen sprake van een rechtsgeldig rijverbod, nu het aan de verdachte opgelegde rijverbod niet, zoals artikel 162, tweede lid, van de WVW 1994 vereist, in een beschikking is vastgelegd en aan hem is uitgereikt. Het is voorts, blijkens het proces-verbaal van bevindingen, zelfs nooit de bedoeling geweest van de verbalisanten om het mondelinge rijverbod in schriftelijke vorm vast te leggen. Het is niet aan de verdachte om zijn belang bij de behoorlijke naleving van het tweede lid van artikel 162 van de WVW 1994 aannemelijk te maken. De bepaling behoort door de verbalisanten te worden nageleefd, niet meer en niet minder, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt hiertoe het volgende.
Uit het zich bij de stukken van het dossier bevindende proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 augustus 2002 blijkt, kort gezegd, dat de verbalisanten P. Meijer en T. Moussa verdachte op die datum, omstreeks 05.05 uur, hebben aangetroffen op de Albert Cuypstraat te Amsterdam, terwijl hij stond te urineren tegen een gevel. Naast de verdachte stond een personenauto van het merk BMW met twee wielen op het trottoir. Verdachte stond onvast ter been en had bloeddoorlopen ogen. Voorts roken verbalisanten dat de adem van de verdachte riekte naar inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Op daartoe strekkende vragen van de verbalisanten hoorden zij verdachte zeggen dat hij niet meer ging rijden in de bedoelde personenauto, maar dit wel zojuist had gedaan. Vervolgens is hem door verbalisant Meijer voornoemd te 05.07 uur een rijverbod opgelegd voor de duur van tenminste 4 uren en is de verdachte uitgelegd dat het overtreden van dit rijverbod een misdrijf van de Wegenverkeerswet 1994 opleverde. De verbalisanten hoorden verdachte vervolgens zeggen dat hij dit begreep en dat hij absoluut niet zou gaan rijden.
Op 2 augustus 2002, omstreeks 05.20 uur, zagen de collega-verbalisanten dat de eerdergenoemde personenauto niet meer op de Albert Cuypstraat stond. Hierop hebben zij het kenteken en de kenmerken van de auto doorgegeven over de mobilofoon, teneinde een controle op de juiste naleving van de Wegenverkeerswet 1994 uit te voeren. Vervolgens zagen de verbalisanten Bakker en Joosten deze auto rijden en hebben zij de bestuurder een stopteken gegeven, waaraan hij voldeed. Hierna constateerden de verbalisanten Meijer en Moussa voornoemd, omstreeks 05.23 uur, dat de bestuurder van de auto de verdachte betrof.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de verdachte, blijkens eigen opgave, kort voordat hij de eerste keer, op 2 augustus 2002 omstreeks 05.05 uur, werd aangetroffen door de verbalisanten Meijer en Moussa, als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden. Verdachte kon derhalve als bestuurder van een motorvoertuig als bedoeld in artikel 162, eerste lid, van de WVW 1994 worden aangemerkt. Dat verdachte de verbalisanten bij die gelegenheid heeft voorgehouden dat hij niet wederom zou gaan rijden, doet hieraan niet af.
(...)
De raadsman heeft tenslotte betoogd dat er geen sprake was van een rechtsgeldig rijverbod, nu het aan de verdachte opgelegde rijverbod niet, zoals artikel 162, tweede lid, van de WVW 1994 vereist, in een beschikking is vastgelegd en aan hem is uitgereikt. Ook dit verweer mag de verdachte niet baten.
Blijkens het onderzoek ter terechtzitting werd aan verdachte op 2 augustus 2002 te 05.07 uur, door de verbalisant Meijer voornoemd een rijverbod opgelegd voor de duur van tenminste 4 uren. Aan de verdachte werd tevens medegedeeld dat hij geen motorvoertuig mocht besturen en dat hij bij het overtreden van dit rijverbod een misdrijf van de Wegenverkeerswet 1994 zou plegen. De betrokken verbalisanten hoorden verdachte vervolgens zeggen dat hij het begreep en dat hij absoluut niet zou gaan rijden.
Een rijverbod als bedoeld in artikel 162 van de WVW 1994 is, naar het oordeel van het hof, rechtsgeldig opgelegd, reeds op het moment dat zulks mondeling is geschied. Het enkele feit dat nadat die mededeling is gedaan, het (nog) niet tot een uitreiking van een rijverbod op schrift als bedoeld in het tweede lid van dat artikel is gekomen, doet aan die rechtsgeldigheid niet af. Blijkens het meergenoemde proces-verbaal van bevindingen en de eigen verklaring van verdachte bij de politie, in onderlinge samenhang beschouwd, is de verdachte reeds korte tijd nadat hij het voormelde rijverbod had gekregen met zijn voertuig weggereden. Gelet op de zeer korte tijdspanne, gelegen tussen vorenbedoelde mededeling en het tijdstip dat verdachte rijdend werd gesignaleerd, is het hof van oordeel dat verdachte een voertuig heeft bestuurd gedurende de tijd dat voor hem een rijverbod gold als bedoeld in artikel 162, eerste lid, van de WVW 1994. Het hof is voorts van oordeel dat, mede gelet op de gegeven omstandigheden, door de enkele niet juiste danwel niet tijdige naleving van het in het tweede lid vervatte verbod, wat daar verder ook van zij, daarmee niet is gegeven dat de verdachte is getroffen in enig rechtens te respecteren belang. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden zijn gesteld noch aannemelijk geworden."

3.3. Art. 162 WVW 1994 luidt als volgt:
"1. Een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen kan de bestuurder van een voertuig van wie, uit het in artikel 160, vijfde lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die persoon gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een voertuig behoorlijk te besturen, een rijverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen.
2. De opsporingsambtenaar die een rijverbod oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
3. Het is degene aan wie een rijverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod geldt."

3.4.1. De Wegenverkeerswet van 1935 bevatte in art. 28 een regeling omtrent het rijverbod. Die bepaling bevatte geen verplichting tot schriftelijke vastlegging van het verbod. Daarin is eerst voorzien bij het Besluit van 9 oktober 1974, Stb. 596, in werking getreden op 1 november 1974. Daarbij is in het Wegenverkeersreglement een nieuw art. 122 opgenomen, inhoudend:
"1. Wanneer een der bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde opsporingsambtenaren op grond van artikel 28 van de Wegenverkeerswet een rijverbod oplegt, maakt hij een schriftelijke aantekening van het tijdstip van ingang en van de duur van het verbod.
2. Degene aan wie het verbod is opgelegd wordt een afschrift van deze aantekening aangeboden."

De Nota van toelichting vermeldt hieromtrent het volgende:
"De bedoeling van het in het Wegenverkeersreglement op te nemen voorschrift over de oplegging van het rijverbod is om zoveel mogelijk zekerheid te verschaffen over het tijdvak waarop dit betrekking heeft."

3.4.2. Het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wegenverkeerswet 1994 bevatte een regeling van het rijverbod in ontwerp-art. 153. Bij tweede Nota van wijziging is voorgesteld deze regeling uit te breiden met de voorzieningen van art. 122 WVR inzake de vastlegging en uitreiking van het rijverbod. De beoogde regeling zou op dat punt als volgt komen te luiden:
"De opsporingsambtenaar die een rijverbod oplegt, maakt een schriftelijke aantekening van het tijdstip van ingang en van de duur van het verbod. Hij reikt een afschrift van deze aantekening uit aan degene aan wie het verbod is opgelegd."

De toelichting houdt dienaangaande het volgende in:
"Bij nadere overweging geven wij er de voorkeur aan om de in artikel 122 van het Wegenverkeersreglement opgenomen verplichting voor de opsporingsambtenaar die een rijverbod oplegt, om een schriftelijke aantekening te maken van het tijdstip van ingang en van de duur van het door hem opgelegd rijverbod, en daarvan afschrift aan te bieden aan degene aan wie het rijverbod is opgelegd, niet onder te brengen in de uitvoeringsvoorschriften van de Wegenverkeerswet 1992, doch in de formele wet zelf, waarin ook de bevoegdheid tot oplegging van een rijverbod haar regeling vindt." (Kamerstukken II 1991-1992, 22 030, nr. 12, blz. 18)

3.4.3. Bij vierde Nota van wijziging is de huidige tekst van art. 162, tweede lid, WVW 1994 voorgesteld, luidend:
"De opsporingsambtenaar die een rijverbod oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat."

De toelichting houdt dienaangaande, voorzover hier van belang, het volgende in:
"In verband met de invoering van de Algemene wet bestuursrecht is het noodzakelijk de Wegenverkeerswet 1992, voorzover deze betrekking heeft op onderwerpen, geregeld in de Algemene wet bestuursrecht, aan te passen aan de systematiek en terminologie van de Algemene wet bestuursrecht. De wijzigingen betreffen (...) bepalingen omtrent de motivering en manier van mededelen van besluiten aan de justitiabele." (Kamerstukken II 1992-1993, 22 030, nr. 17, blz. 8)

3.5. Gelet op hetgeen door het Hof feitelijk is vastgesteld, waaronder de omstandigheid dat de verdachte zelf aan de verbalisanten had medegedeeld dat hij met de desbetreffende auto "zojuist gereden had", getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte als bestuurder in de zin van art. 162 WVW 1994 kon worden aangemerkt, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Het eerste middel faalt derhalve.

3.6. Tegen de achtergrond van de hiervoor onder 3.4 weergegeven geschiedenis van het voorschrift van art. 162, tweede lid, WVW 1994 inzake de schriftelijke vastlegging van een opgelegd rijverbod in een beschikking - welk voorschrift behoort tot de waarborgen waarmee de wetgever in het belang van de justitiabelen de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een rijverbod heeft omringd - moet worden aangenomen dat het opgelegde rijverbod eerst rechtskracht heeft na de vastlegging in een beschikking en de bekendmaking daarvan aan de betrokkene (art. 3:41, eerste lid, Awb). Het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat het rijverbod mondeling is opgelegd, niet in de weg staat aan de geldigheid van het verbod, is derhalve onjuist. Het tweede middel is dus gegrond.

3.7. De Hoge Raad zal de verdachte vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
Spreekt de verdachte vrij van het hem onder 2 tenlastegelegde;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging ter zake van feit 1 op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 april 2005.

@Guido, hoe kom jij erbij dat het gewoon mondeling mag ???
Laatst gewijzigd door rai op 04 apr 2006, 17:40, 1 keer totaal gewijzigd.
Gebruikersavatar
Nanc TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door Nanc »

klopt, ik zie gedragingen in de taalkundige zin. Gedragingen: sleutels omdraaien, gordel om etc...
Gebruikersavatar
Nanc TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door Nanc »

Nanc schreef:klopt, ik zie gedragingen in de taalkundige zin. Gedragingen: sleutels omdraaien, gordel om etc...
Dit moet dan zijn "handelingen" die leiden tot een juridische gedraging.
Gebruikersavatar
beamer TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door beamer »

Nanc schreef:Hoi Beamer,

Bedankt voor je heldere uiteenzetting.

Zou je voor mij ook nog eens naar de vraag die ik Guido stelde, op de eerste pagina onderaan, willen kijken? Over dat grijze gebied?
Ja, dat is een lastige en steeds terugkerende discussie. Wanneer is een persoon nu iemand die aanstalten maakt een voertuig te besturen? Het zou ook een fiets kunnen zijn, wanneer is hij dan aanstaltenmaker? Ik denk dat iedereen het erover eens is dat alleen het lopen naar dat voertuig niet voldoende oplevert om hem als aanstaltenmaker te kunnen aanmerken, er moet iets meer bijkomen, maar wat is dat dan? Als hij de sleutel in het fietsslot doet of moet je wachten tot hij het slot daadwerkelijk openmaakt? Een ding is zeker: als je wacht tot het voertuig, in dit geval de fiets in beweging is gekomen, ben je te laat, want dan heb je al te maken met een verdachte.

Soortgelijk is het ook met een auto: portier openmaken? op bestuurdersplaats gaan zitten? gordel omdoen? sleutel in contactslot doen? motor starten?
Ik kan de grens niet echt aangeven, maar ik weet wel dat deze handelingen hem nog niet direct maken tot een persoon die een poging doet tot, maar het begint er wel heel dicht in de buurt te komen.
Ik zou zeggen dat ik zou optreden als die beschonken persoon de auto heeft opengemaakt en op de bestuurdersplaats is gaan zitten, maar dat is een kwestie van smaak...
Gebruikersavatar
beamer TS
Infopolitie Gast

Ongelezen bericht door beamer »

Nanc schreef:
Nanc schreef:klopt, ik zie gedragingen in de taalkundige zin. Gedragingen: sleutels omdraaien, gordel om etc...
Dit moet dan zijn "handelingen" die leiden tot een juridische gedraging.
What's in a word en "een goed verstaander..."
Gesloten