Is er een vaste plaats aan de voorzijde van een motorvoertuig voor de knipperlichtinstalatie.
Moeten die echt aan de buitenzijde geplaatst zijn of mag dat ook bijvoorbeeld een 10 tal centimeters uit het midden van de voorzijde van het motorvoertuig.
Plaats van knipperlichten voor op de auto
Moderator: Moderatorteam
- olle-griese
- Berichten: 696
- Lid sinds: 02 mar 2005, 18:48
- Roepnaam: Peter
- Facebook: https://www.facebook.com/olle.griese
- Locatie: Groningen
- Geslacht:
- Leeftijd: 68
- Contact:
één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
m.a.w. hier word niets over vermeld en er is ook geen verwijzing naar de maten.
m.a.w. hier word niets over vermeld en er is ook geen verwijzing naar de maten.
Als je kunt toeteren , kun je ook remmen.
-
tcf TS
- Infopolitie Gast
Artikel 5.2.51
Personenauto’s MOETEN zijn voorzien van:
twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
Artikel 5.2.57
Personenauto’s MOGEN zijn voorzien van:
twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig;
één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen;
Artikel 5.2.61
Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
Dit is het enige wat in het voertuigregelement staat over de plaatsing van de knipperlichten. Zoals je ziet geldt de afstand van 40cm vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig alleen voor zover het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen..
Personenauto’s MOETEN zijn voorzien van:
twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
Artikel 5.2.57
Personenauto’s MOGEN zijn voorzien van:
twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig;
één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen;
Artikel 5.2.61
Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
Dit is het enige wat in het voertuigregelement staat over de plaatsing van de knipperlichten. Zoals je ziet geldt de afstand van 40cm vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig alleen voor zover het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen..
-
Licht S TS
- Infopolitie Gast
In de toelatingseisen staat het volgende:
Artikel 9.1
Personenauto's in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1995, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.2 tot en met 9.7 gestelde eisen.
d.
twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig;
e.
één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig voorzien is van een aanhangwagenkoppeling en de richtingaanwijzer aan de voorzijde aan de zijkant niet duidelijk zichtbaar is;
Artikel 9.3
2.
De richtingaanwijzers alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
Artikel 9.4
3.
De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:
a.
op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m;
b.
op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de richtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4.
Indien zijrichtingaanwijzers ingevolge artikel 9.2, onderdeel e, verplicht zijn, moeten deze zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de zijrichtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. De afstand van de zijrichtingaanwijzer tot aan de voorzijde van het voertuig mag niet meer bedragen dan 1,80 m.
Artikel 9.5
3.
De richtingaanwijzers moeten:
a.
bij helder weer en bij brandend achterlicht, duidelijk zichtbaar zijn,
b.
indien zij zijn ingeschakeld, een licht uitstralen dat automatisch knippert met een frequentie van ten minste 60 maal per minuut en ten hoogste 120 maal minuut, en
c.
zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 10,00 m voor of achter het voertuig bevindt.
4.
Indien het voertuig voorzien is van een aanhangwagenkoppeling, moeten:
a.
de richtingaanwijzers aan de voorzijde zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 6,00 m achter de desbetreffende richtingaanwijzer en 1,00 m naast het verlengde van het voertuig bevindt, of
b.
afzonderlijke zijrichtingaanwijzers zijn aangebracht die zichtbaar moeten zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 10,00 m achter de desbetreffende zijrichtingaanwijzer en 1,00 m naast het verlengde van het voertuig bevindt.
6.
Voor het achterlicht en de richtingaanwijzer mag één gloeilamp worden gebruikt. Gedurende de tijd dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld, hoeft het desdesbetreffende achterlicht niet te branden.
Maar ik weet dus niet wat er na 1 januari 1995 is veranderd...
Artikel 9.1
Personenauto's in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1995, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.2 tot en met 9.7 gestelde eisen.
d.
twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig;
e.
één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig voorzien is van een aanhangwagenkoppeling en de richtingaanwijzer aan de voorzijde aan de zijkant niet duidelijk zichtbaar is;
Artikel 9.3
2.
De richtingaanwijzers alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
Artikel 9.4
3.
De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:
a.
op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m;
b.
op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de richtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4.
Indien zijrichtingaanwijzers ingevolge artikel 9.2, onderdeel e, verplicht zijn, moeten deze zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de zijrichtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. De afstand van de zijrichtingaanwijzer tot aan de voorzijde van het voertuig mag niet meer bedragen dan 1,80 m.
Artikel 9.5
3.
De richtingaanwijzers moeten:
a.
bij helder weer en bij brandend achterlicht, duidelijk zichtbaar zijn,
b.
indien zij zijn ingeschakeld, een licht uitstralen dat automatisch knippert met een frequentie van ten minste 60 maal per minuut en ten hoogste 120 maal minuut, en
c.
zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 10,00 m voor of achter het voertuig bevindt.
4.
Indien het voertuig voorzien is van een aanhangwagenkoppeling, moeten:
a.
de richtingaanwijzers aan de voorzijde zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 6,00 m achter de desbetreffende richtingaanwijzer en 1,00 m naast het verlengde van het voertuig bevindt, of
b.
afzonderlijke zijrichtingaanwijzers zijn aangebracht die zichtbaar moeten zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 10,00 m achter de desbetreffende zijrichtingaanwijzer en 1,00 m naast het verlengde van het voertuig bevindt.
6.
Voor het achterlicht en de richtingaanwijzer mag één gloeilamp worden gebruikt. Gedurende de tijd dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld, hoeft het desdesbetreffende achterlicht niet te branden.
Maar ik weet dus niet wat er na 1 januari 1995 is veranderd...