Defenitie openbare weg
Moderator: Moderatorteam
-
J
- Infopolitie Gast
Defenitie openbare weg
In de meest gevallen is het wel duidelijk wanner er sprake is van een openbare weg als bedoeld in de defintie genoemd in de WVW. Nu ben ik in een bestuurlijke rechtsgang verwikkeld waarin ik moet aantonen dat een weg een openbare weg is. men gelooft mij niet op mijn bruine ogen dus moet ik e.e.a. aantonen. Is er jurisprudentie mbt dit onderwerp waarvan u mij de vindplaats kunt vertellen?
bvd
bvd
- ThunderSTreak
- Moderator
- Berichten: 5958
- Lid sinds: 18 jul 2004, 16:06
- Locatie: Ulvenhout
- Geslacht:
- Leeftijd: 64
- Contact:
Bekijkt u deze link van de VNGeens. Daar wordt u op dit vlak al een stuk wijzer. Met name de vragen 2 en 3 geven al wat meer duidelijkheid.
Laatst gewijzigd door ThunderSTreak op 02 mei 2006, 11:28, 1 keer totaal gewijzigd.
Met vriendelijke groet,
ThunderSTreak
drive safe4safety
ThunderSTreak
drive safe4safety
- ThunderSTreak
- Moderator
- Berichten: 5958
- Lid sinds: 18 jul 2004, 16:06
- Locatie: Ulvenhout
- Geslacht:
- Leeftijd: 64
- Contact:
U kunt de wegenlegger opvragen bij desbetreffende gemeente. Daarop staan alle wegen die 'erkend' openbaar zijn. Een ander punt kan zijn of een weg feitelijk openbaar is. Dat moet aannemelijk gemaakt worden.
Een voorbeeld van dit laatste zijn bijvoorbeeld wegen van staatsbosbeheer of defensie (vaak gekenmerkt als "eigen weg"), die niet zijn afgesloten en toegankelijk zijn vanaf de openbare weg en mogelijk ook leiden naar achterliggende openbare wegen. Foto's, kadastraal onderzoek en kaartmateriaal doen hier het werk.
Een voorbeeld van dit laatste zijn bijvoorbeeld wegen van staatsbosbeheer of defensie (vaak gekenmerkt als "eigen weg"), die niet zijn afgesloten en toegankelijk zijn vanaf de openbare weg en mogelijk ook leiden naar achterliggende openbare wegen. Foto's, kadastraal onderzoek en kaartmateriaal doen hier het werk.
Met vriendelijke groet,
ThunderSTreak
drive safe4safety
ThunderSTreak
drive safe4safety
- ThunderSTreak
- Moderator
- Berichten: 5958
- Lid sinds: 18 jul 2004, 16:06
- Locatie: Ulvenhout
- Geslacht:
- Leeftijd: 64
- Contact:
Even een kaartje erbij gezocht. Het betreft het voormalig Defensieterrein "Prinsenbosch" in de Gemeente Gilze en Rijen. Formeel is het terrein nog steeds in eigendom van Defensie/domeinen. Het gesloten karakter is echter verdwenen door het verwijderen van twee toegangshekken, waardoor het gehele complex (rode wegen) uiteindelijk is toegevoegd aan de openbare weg.
Met vriendelijke groet,
ThunderSTreak
drive safe4safety
ThunderSTreak
drive safe4safety
-
Gast
- Infopolitie Gast
Re: Defenitie openbare weg
Bedankt voor de reaktie's, maar de wegenwet heb ik het nu even niet over. het gaat om de Wvw 1994. Er zit een essentieel verschil in beide defenitie's.J schreef:In de meest gevallen is het wel duidelijk wanner er sprake is van een openbare weg als bedoeld in de defintie genoemd in de WVW. Nu ben ik in een bestuurlijke rechtsgang verwikkeld waarin ik moet aantonen dat een weg een openbare weg is. men gelooft mij niet op mijn bruine ogen dus moet ik e.e.a. aantonen. Is er jurisprudentie mbt dit onderwerp waarvan u mij de vindplaats kunt vertellen?
bvd
-
tcf
- Infopolitie Gast
Re: Defenitie openbare weg
Anonymous schreef:Bedankt voor de reaktie's, maar de wegenwet heb ik het nu even niet over. het gaat om de Wvw 1994. Er zit een essentieel verschil in beide defenitie's.J schreef:In de meest gevallen is het wel duidelijk wanner er sprake is van een openbare weg als bedoeld in de defintie genoemd in de WVW. Nu ben ik in een bestuurlijke rechtsgang verwikkeld waarin ik moet aantonen dat een weg een openbare weg is. men gelooft mij niet op mijn bruine ogen dus moet ik e.e.a. aantonen. Is er jurisprudentie mbt dit onderwerp waarvan u mij de vindplaats kunt vertellen?
bvd
Misschien nog niet aan gedacht...:
Maak een volledige overzicht foto of foto's.
Foto's maken vaak meer duidelijk dan een heel verhaal op papier.
Dit scheelt misschien weer bij uw verweer.
Succes
- ThunderSTreak
- Moderator
- Berichten: 5958
- Lid sinds: 18 jul 2004, 16:06
- Locatie: Ulvenhout
- Geslacht:
- Leeftijd: 64
- Contact:
Hmm, ik denk dat juist datgene wat in artikel 1 lid b. WVW staat :
verbonden is met hetgeen in artikel 4 van de wegenwet staat:Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
Of zit uw probleem wellicht in de uitzondering onder hetgeen in artikel 4 WW onder leden twee en drie is genoemd?Hoofdstuk II. De openbaarheid
Artikel 4
1.
Een weg is openbaar:
I.
wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;
II.
wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;
III.
wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.
2.
Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.
3.
Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen.
Met vriendelijke groet,
ThunderSTreak
drive safe4safety
ThunderSTreak
drive safe4safety
Misschien kunt u hier wat mee ???
voor de volledigheid:
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
Artikel 1, lid 1, onderdeel b Wegen
Bovenstaande tekst is op deze wijze tot stand gekomen in de WVW 1994. De voorloper van deze wet, de WVW 1935 kende ten aanzien van deze definitie slechts een enkele afwijking, te weten in plaats van ‘alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen’ stond er ‘alle voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande wegen’. De wetgever heeft het onderscheid tussen rij- en ander verkeer niet langer van belang geacht en de definitie in de WVW 1994 op dit punt aangepast, zonder dit van invloed te willen laten zijn op het begrip verkeer.
Omvang van de definitie
Een kritische beschouwing van de definitie van ‘wegen’ leert dat deze bestaat uit een aantal delen die ieder op zich, dan wel in samenhang met elkaar, leiden tot de conclusie dat het hier om een zeer ruim begrip gaat. Dit, te zamen met de hieromtrent verschenen jurisprudentie, toont aan dat de WVW 1994 van toepassing is op zeer veel plaatsen waar verkeer in enigerlei vorm aanwezig is.
Het eerste deel van de definitie dat zegt dat onder wegen wordt verstaan: ‘alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden .....’ brengt met zich mee dat die wegen die voor alle verkeer openstaan onder de definitie van ‘wegen’ vallen, doch ook die wegen waar slechts bepaalde soorten verkeer aanwezig of toegestaan zijn.
Derhalve zijn bijv. de meeste bruggen, viaducten, tunnels, spoorwegovergangen, alsmede ruiterpaden, voetpaden en alleen liggende fietspaden ‘wegen’ in de zin van deze definitie en zijn de bepalingen van de WVW 1994 en de daarop berustende lagere wetgeving hierop van toepassing.
In de rechtspraak zijn op dit punt de volgende meningen gevormd:
Hoge Raad d.d. 15 februari 1937, NJ 1937, 708: ‘Een tijdelijke afsluiting voor het rijverkeer ontneemt aan een weg niet het karakter van voor het openbaar verkeer openstaan.’
Hof 's-Gravenhage d.d. 9 december 1976, VR 1978, 8: In verband met asfalteringswerkzaamheden is een autoweg tijdelijk afgesloten en wordt het verkeer over de vluchtstrook geleid. Een zich op het afgesloten gedeelte bevindende vrachtauto, die na asfalteringswerkzaamheden achteruit rijdt om een paar putten met asfalt te vullen, rijdt een zich op een van de geasfalteerde rijstroken bevindende hulpkantonnier aan. Het Hof is van oordeel dat ondanks de tijdelijke afsluiting het bewuste weggedeelte een voor het openbaar verkeer openstaande weg blijft.
Hoge Raad d.d. 25 september 1981, VR 1982, 29: ‘Het oordeel van het Hof dat er wel sprake is van de aanleg van een weg maar dat de werkzaamheden nog niet zo ver zijn gevorderd dat reeds gesproken kan worden van een ‘weg’ in de zin van art. 1, lid 1, onder 1e WVW 1935, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent de term ‘weg’.’
Kantonrechter Wageningen d.d. 22 februari 1980, VR 1982, 66: De kantonrechter beantwoordt de vraag of een op de Ginkelse heide gelegen tankbaan als een voor het openbaar verkeer openstaande weg kan worden aangemerkt als volgt: ‘De tankbaan is voor een ieder toegankelijk. De toegang wordt noch door borden, noch door slagbomen, noch door hekken, noch anderszins ontzegd. Langs de hele tankbaan zijn meerdere mogelijkheden voor burgervoertuigen om zich op de tankbaan te begeven. Dat deze tankbaan in sommige gevallen niet door een burgerauto te berijden is door de af en toe slechte conditie van de weg, doet aan het ‘voor het openbaar verkeer openstaan’ niet af.’
Het meest vergaand in de gedachte over het begrip ‘voor het openbaar verkeer openstaand’ gaat prof. mr. J. Remmelink, voormalig procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, in zijn boek ‘Hoofdwegen door het Verkeersrecht’. Hij stelt hierin het volgende: ‘Moeilijke grensgevallen zijn een strand of een bevroren rivier, die enige tijd voor het verkeer gaat functioneren, zoals bijvoorbeeld in 1929 het geval was met de Oude Maas tussen Dordrecht en Zwijndrecht. Ik (Remm.) zou in beide gevallen willen spreken van een weg en zou derhalve de WVW en haar uitvoeringsreglementen van toepassing achten. Dat een strand voornamelijk door voetgangers en ruiters wordt gebezigd, dus een tamelijk eenzijdige verkeersfunctie heeft, is niet relevant; een voetpad dient ook uitsluitend voor voetgangers, toch is 't (het prototype van) een weg.’
Het logisch gevolg van het bovengestelde is dat de bestuurder van een auto die zich over het strand begeeft of zijn voertuig waagt op een dichtgevroren rivier in het bezit zal moeten zijn van een rijbewijs, een kentekenbewijs enz., terwijl zijn voertuig aan de inrichtingseisen van het Voertuigreglement dient te voldoen.
Uit het tweede deel van de definitie blijkt dat de in de wegen of paden liggende bruggen en duikers (waterdoorgang onder wegen of dijken) daarvan deel uitmaken en derhalve onder de werkingssfeer van de wegenverkeerswetgeving vallen.
Weg als één geheel / meerdere wegen
Tot slot bepaalt de definitie dat de tot de wegen behorende paden en bermen of zijkanten deel uitmaken van de weg. Dit laatste deel van de definitie brengt met zich mee dat als vuistregel gehanteerd kan worden dat onder het begrip ‘weg’ alles valt wat tussen de bermsloten - indien aanwezig - ligt. Het belang van het laatste deel van de definitie is dat dit voorkomt dat de verschillende delen van de weg als afzonderlijke wegen worden aangemerkt. Het komt regelmatig voor dat een weg is samengesteld uit een hoofdrijbaan en aan één of beide zijden daarvan gelegen ventweg(en), dan wel een rijbaan met daarnaast gelegen fiets- en of voetpaden. In het algemeen zullen deze samenstellingen worden aangemerkt als één weg.
Ingewikkelder wordt het wanneer ventwegen en fiets- en voetpaden verder van de hoofdrijbaan zijn afgelegen. Dan ontstaat de vraag of deze situatie één of verschillende wegen oplevert. Op dit punt zijn verschillende uitspraken gedaan die richting geven aan de meningsvorming hieromtrent:
Hoge Raad d.d. 31 oktober 1958, VR 1958, 120: Voorrangsweg met daarnaast een ventweg, die niet als voorrangsweg is aangeduid. Beide wegen vormen één weg in de zin van de WVW 1935. Van één weg kan zeer wel één der rijbanen als voorrangsweg zijn aangewezen, terwijl op elk van de rijbanen tweerichtingsverkeer is toegelaten.
Hoge Raad d.d. 23 mei 1967, VR 1967, 92: De verdachte rijdt als bestuurder van een personenauto over een weg en slaat links af. Daarbij komt hij in aanrijding met de bestuurder van een bromfiets, die rijdt over een naast de hoofdrijbaan gelegen secondaire weg. De Hoge Raad is van oordeel dat de in de bewezenverklaring bedoelde hoofdrijbaan en secondaire weg deel uitmaken van één weg in de zin van art. 1, WVW 1935. Bovendien is de secondaire weg op zo korte afstand van de hoofdrijbaan gelegen, dat de verdachte ten opzichte van de hem over de secondaire weg tegemoetkomende bestuurder van een bromfiets is aan te merken als bestuurder van een voertuig die naar links van richting wenst te veranderen.
Hoge Raad d.d. 22 december 1981, VR 1982, 36: Voor de beoordeling van de vraag of een uit meerdere delen bestaande weg moet worden aangemerkt als ‘dezelfde weg’, dan wel of die delen evenzovele afzonderlijke wegen vormen, is de feitelijke situatie ter plaatse, zoals die zich aan de weggebruiker voordoet, beslissend. De plaatsing van verkeerstekens kan daarbij van belang zijn.
Samenvattend kan worden gesteld dat bij een oordeel over het feit of een wegsituatie als één weg met meerdere rijbanen, dan wel als meerdere rijbanen dient te worden aangemerkt, de plaatsing van borden en verkeerstekens op het wegdek moet worden betrokken, omdat daaruit de bedoeling van de wegbeheerder kan worden afgeleid. Ook het karakter en de functie van de ‘ventweg’ moet worden bezien. Ten slotte dient acht te worden geslagen op het feit of er enige samenhang is tussen de ‘hoofdrijbaan’ en de ‘ventweg’, dan wel of die samenhang wordt verstoord door aanwezige bossages, (aanmerkelijke) onderlinge afstand, een verhoogde middenberm, een breed gazon of een waterscheiding.
Duidelijk moge overigens zijn dat langs de weg gelegen fietspaden over het algemeen tot de weg behoren, zolang deze paden liggen in de voor die wegen uitgezette tracés.
De zin van de beantwoording van de vraag of de onderhavige situatie één of meer wegen oplevert, is gelegen in de toepasselijkheid van de gedragsregels uit het RVV 1990. Men zie daarvoor de regelgeving ten aanzien van de plaats op de weg, het verlenen van voorrang, het afslaan en de werkingssfeer van verkeersborden.
Openbare weg / voor het openbaar verkeer openstaande weg
Voor de beantwoording van de vraag of een weg een openbare weg of een voor het openbaar verkeer openstaande weg is en wat het verschil tussen beide oplevert, moet worden teruggegrepen naar de Wegenwet van 31 juli 1930, Stb. 32.
In artikel 4, lid 1, Wegenwet wordt aangegeven wanneer een weg openbaar is en derhalve voor een ieder toegankelijk.
In artikel 4, lid 2, Wegenwet wordt bepaald dat een eigenaar (Rijk, provincie, gemeente enz.) het openbaar worden van een weg kon voorkomen door het plaatsen van een bord ‘Particuliere weg’, ‘Private weg’, ‘Eigen weg’ of iets dergelijks.
Het gevolg van openbaarheid van een weg is dat er verplichtingen op de wegbeheerder rusten zoals een onderhoudsplicht, een inspanningsplicht ten aanzien van gladheidsbestrijding en het in principe toelaten van alle vormen van verkeer.
Met betrekking tot het bovenstaande valt te denken aan verantwoordelijkheid voor de wegbeheerder bij boven het wegdek uitstekende tramrails, gaten in het wegdek, slipgevaarlijk wegdek, onvoldoende markering bij wegwerkzaamheden en een volslagen nalaten van gladheidsbestrijding. Het niet nakomen van de hiervoor genoemde verantwoordelijkheden kan civielrechtelijke gevolgen voor de wegbeheerder met zich meebrengen.
Indien een weg op grond van de Wegenwet niet openbaar is, zal de eigenaar ook niet voor bovenstaande onvolkomenheden verantwoordelijk kunnen worden gesteld.
Uitgaande van het feit dat een wegbeheerder van een openbare weg onder andere heeft te zorgen voor een behoorlijk wegdek is de vraag naar de toelaatbaarheid van het aanbrengen van verkeersdrempels interessant, indien daardoor een ongeval of anderszins schade ontstaat. Vanuit de gedachte van de Wegenwet (artikel 6) lijken er bezwaren te bestaan tegen dit soort verkeersontregelende obstakels in het wegdek, met name wanneer deze drempels qua vormgeving zodanig zijn dat een argeloze weggebruiker hierdoor gevaar zou lopen. Wanneer de wegbeheerder echter een aantal zorgvuldigheden inbouwt, zoals een behoorlijke vormgeving en een waarschuwing voor de nadering van de drempel, lijkt het dat de wegbeheerder zich binnen zijn beleidsvrijheid beweegt.
Ten slotte geeft de Wegenwet in artikel 27 aan dat in iedere gemeente een wegenlegger aanwezig dient te zijn waarop de openbare wegen van de gemeente, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, moeten voorkomen.
De toepasselijkheid van de WVW 1994
Wanneer de vraag wordt gesteld of op een weg de wegenverkeerswetgeving van toepassing is, is slechts relevant het argument of de betreffende weg ‘een voor het openbaar verkeer openstaande weg’ is. Dit leidt tot de stelling dat een openbare weg (een begrip uit de Wegenwet) de juridische status van een weg omvat, terwijl het begrip voor het openbaar verkeer openstaand (een begrip uit de WVW 1994) de feitelijke situatie van de weg betreft. Het kan derhalve voorkomen dat een weg juridisch (vanuit de Wegenwet) niet openbaar is, doch dat de Wegenverkeerswet er wel op van toepassing is.
Een voorbeeld moge dit duidelijk maken: Langs een parallelweg van een rijksweg staat een bordje met de navolgende tekst: ‘Eigen weg. Rijkswaterstaat. Verboden voor onbevoegden’. Dit bord brengt met zich mee dat de betreffende weg een niet-openbare weg is (uit de Wegenwet) en dat derhalve geen eisen kunnen worden gesteld aan een goed wegdek of aan gladheidsbestrijding. De feitelijke situatie leert echter dat een ieder van deze parallelweg gebruik maakt c.q. mag maken en dat geen enkele gebruiker van deze parallelweg wordt geweerd. Dit gegeven maakt dan dat de betreffende weg wel een voor het openbaar verkeer openstaande weg (uit de Wegenverkeerswet) is en dat daarop derhalve de bepalingen vanuit de Wegenverkeerswetgeving van toepassing zijn. Iemand die zich bijv. met een auto over deze weg voortbeweegt, zal een geldig rij- en kentekenbewijs moeten hebben.
De rechtspraak heeft zich onder andere op de volgende wijze uitgelaten over de werkingssfeer van de wegenverkeerswetgeving op wegen waar door de wegbeheerders in het gebruik van die wegen beperkingen waren aangebracht:
Hoge Raad d.d. 1 december 1959, VR 1960, 65: De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank het feit dat de weg een voor het openbaar verkeer openstaande weg is heeft kunnen afleiden uit de omstandigheden dat:
- de weg het aanzien heeft van een voor het openbaar verkeer openstaande weg van gelijke rangorde als de gekruiste weg;
- de weg leidt naar een publiek parkeerterrein, een haltestation voor autobussen van een openbare busdienst en een voor het publiek toegankelijk benzinestation;
- de verkeersborden zodanig zijn geplaatst als ware de weg een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
Aan de openbaarheid hoeft niet af te doen, dat de weg voor fietsers en andere categorieën weggebruikers gesloten is verklaard, noch het feit dat de weg niet voor doorgaand verkeer bestemd is.
Hoge Raad d.d. 18 februari 1969, VR 1969, 26: De enkele omstandigheid dat door of namens de eigenaar of beheerder van een weg is kenbaar gemaakt dat deze zich de beslissing om uit te maken of iemand al dan niet van die weg gebruik mag maken heeft voorbehouden, vermag niet de gevolgtrekking schragen dat die weg niet is een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Deze woorden hebben dezelfde betekenis als de woorden ‘wegen, welke voor het openbaar verkeer openstaan’ in art. 1, lid 2 van de voormalige Motor- en Rijwielwet, waar blijkens de geschiedenis van de totstandkoming ervan onder die omschrijving zijn begrepen wegen, welke slechts bij gedogen van de eigenaar voor het algemeen verkeer openstaan en de wet toepasselijk wordt geacht op alle wegen die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaan, onverschillig uit welke oorzaak. Het kenbaar maken aan de weggebruikers van een voorbehoud behoeft niet uit te sluiten, dat een weg feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat.
Hoge Raad d.d. 6 juni 1995, nr. 613-94-V: De betrokkene heeft zijn auto op de stoep geparkeerd. In zijn beroepsschrift voert hij aan dat deze overtreding is gepleegd op privé-terrein en de wegenverkeerswetgeving dus niet van toepassing is. De kantonrechter overweegt dat de vraag of een weg voor het openbaar verkeer openstaande weg is, beantwoord dient te worden aan de hand van de feitelijke situatie ter plekke en meer in het bijzonder of er voorzieningen, zoals slagbomen en dergelijke, zijn aangebracht. Uit hem ter kennis gebrachte foto's leidt de kantonrechter af dat er in dit geval geen voorzieningen zijn aangebracht die het openbaar gebruik van de weg voor het bedrijfsgebouw belet. Slechts de parkeerplaatsen en dus niet de stoep er naast zijn bestemd voor het bedrijf. De kantonrechter is van oordeel dat zelfs indien er borden hadden gestaan als ‘eigen weg’ of ‘verboden voor onbevoegden’ het een voor het openbaar verkeer openstaande weg blijft, waar de wegenverkeerswetgeving van toepassing is.
De Hoge Raad acht het oordeel van de kantonrechter feitelijk en niet onbegrijpelijk en verwerpt het daarentegen door de betrokkene ingestelde beroep.
Hoge Raad d.d. 11 maart 1975, VR 1975, 102: Beslissend voor het karakter van een weg als voor het openbaar verkeer openstaand is of de weg feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat. Daarvan kan ook sprake zijn indien de weg slechts wordt bereden door verkeersdeelnemers die gebruik willen maken van de diensten van een benzinestation.
Hoge Raad d.d. 24 juni 1975, VR 1976, 7: Een weg binnen een overdekte parkeergelegenheid is een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
Hof 's-Hertogenbosch d.d. 4 november 1980, VR 1981, 32: Het feit dat de hoofdtoevoerweg naar de ingang van een bejaardenhuis een particuliere weg is, neemt niet weg dat die toevoerweg moet worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Die weg is immers voor een ieder vrij toegankelijk. Ter plaatse zijn derhalve de verkeersregels van kracht zoals die gelden voor het verkeer op voor het openbaar verkeer openstaande wegen.
Ktg. Eindhoven, 9 september 1997, VR 1998, 58: In het onderhavige geval stelt appellante dat zij de auto heeft geparkeerd op een strook grond dat deel uitmaakt van het haar in eigendom toebehorende perceel. Op de overgelegde foto's is te zien dat appellante haar auto's heeft geparkeerd voor de showroom op het voor het openbaar verkeer openstaande en van de openbare weg deel uitmakende trottoir. Dat de strook enigszins afwijkend geplaveid is, is daarvoor van ondergeschikt belang. Ingevolge literatuur, jurisprudentie en doctrine is aanvaard dat de wegenverkeerswetgeving van toepassing is op alle wegen die voor het openbaar verkeer openstaan. Voorzover in deze zaak van belang was er geen enkele beperking voor de toegankelijkheid (een afzetting door het plaatsen van enkele pilonen kan bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt) van het weggedeelte waar de auto stond geparkeerd - niet feitelijk en niet naar verkeersopvattingen -, zoals evident is dat de wegenverkeerswetgeving in casu van toepassing is.
Hoge Raad, 3 november 1998, VR 1999, 91: 3.3. De voorschriften van het RVV 1990 zijn van toepassing op wegen als bedoeld in art. 1, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994, derhalve op alle voor het openbare verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van (...) de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een weg in vorenbedoelde zin is volgens vaste rechtspraak beslissend of de weg feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat, ongeacht de omstandigheid of deze op particulier terrein ligt. Van belang zijn daarbij de feitelijke omstandigheden, zoals of de rechthebbende duldt dat het algemeen verkeer gebruik maakt van die grond.
3.4. De betrokkene heeft bij het kantongerecht aangevoerd dat de parkeerplaats behoort tot het eigen terrein van de winkelketen Konmar en ook als zodanig is aangeduid. De kennelijke opvatting van de betrokkene dat deze omstandigheid op zichzelf reeds meebrengt dat geen sprake is van een voor het openbaar verkeer openstaande weg, is, zoals volgt uit het hiervoor onder 3.3 overwogene, onjuist. Ook de door de betrokkene in cassatie aangevoerde omstandigheid dat het parkeerterrein ‘een uur na sluitingstijd van de Konmar met een hek wordt afgesloten’ staat, nu het daarbij klaarblijkelijk gaat om een tijdelijke afsluiting, niet eraan in de weg dat het terrein gedurende de tijd dat het niet is afgesloten voor het openbaar verkeer openstaat.
Toch bestaan er grenzen in de rechtspraak aan de reikwijdte van de wegenverkeerswetgeving, zoals blijkt uit het volgende arrest:
Hoge Raad d.d. 12 januari 1982, VR 1982, 41: Een weg die vrij toegankelijk is voor bepaalde categorieën van personen - in concreto de bewoners van Veenhuizen en houders van pasjes of toegangsbewijzen waarvan de geldigheidsduur beperkt is - terwijl de overigen de toegang is ontzegd door borden met het opschrift: ‘Verboden toegang, art. 461 Sr’ is niet een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
De WVW 1994 en het RVV 1990
In lagere wetgeving, te weten het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is nadere invulling gegeven aan hetgeen door de wetgever ten aanzien van ‘wegen’ in de WVW 1994 is gesteld. In het RVV 1990 zijn in artikel 1 daartoe definities gegeven van de begrippen: busbaan (onderdeel j); busstrook (onderdeel k); doorgaande rijbaan (onderdeel m); fietsstrook (onderdeel n); invoegstrook (onderdeel s); kruispunt (onderdeel t); parkeerhaven of parkeerstrook (onderdeel ab); rijbaan (onderdeel ad); rijstrook (onderdeel ae); uitrijstrook (onderdeel ag); verdrijvingsvlak (onderdeel ai); vluchthaven of vluchtstrook (onderdeel ak).
De wijze waarop door de verschillende verkeersdeelnemers van de weg of de diverse onderdelen daarvan gebruik moet worden gemaakt, wordt geregeld in het RVV 1990, Hoofdstuk II, paragraaf 1, de artikelen 3 t/m 10.
voor de volledigheid:
Wetstekst
Wegenverkeerswet 1994Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
Wetstekst
Wegenverkeerswet 1994Artikel 1, lid 1, onderdeel b Wegen
Bovenstaande tekst is op deze wijze tot stand gekomen in de WVW 1994. De voorloper van deze wet, de WVW 1935 kende ten aanzien van deze definitie slechts een enkele afwijking, te weten in plaats van ‘alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen’ stond er ‘alle voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande wegen’. De wetgever heeft het onderscheid tussen rij- en ander verkeer niet langer van belang geacht en de definitie in de WVW 1994 op dit punt aangepast, zonder dit van invloed te willen laten zijn op het begrip verkeer.
Omvang van de definitie
Een kritische beschouwing van de definitie van ‘wegen’ leert dat deze bestaat uit een aantal delen die ieder op zich, dan wel in samenhang met elkaar, leiden tot de conclusie dat het hier om een zeer ruim begrip gaat. Dit, te zamen met de hieromtrent verschenen jurisprudentie, toont aan dat de WVW 1994 van toepassing is op zeer veel plaatsen waar verkeer in enigerlei vorm aanwezig is.
Het eerste deel van de definitie dat zegt dat onder wegen wordt verstaan: ‘alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden .....’ brengt met zich mee dat die wegen die voor alle verkeer openstaan onder de definitie van ‘wegen’ vallen, doch ook die wegen waar slechts bepaalde soorten verkeer aanwezig of toegestaan zijn.
Derhalve zijn bijv. de meeste bruggen, viaducten, tunnels, spoorwegovergangen, alsmede ruiterpaden, voetpaden en alleen liggende fietspaden ‘wegen’ in de zin van deze definitie en zijn de bepalingen van de WVW 1994 en de daarop berustende lagere wetgeving hierop van toepassing.
In de rechtspraak zijn op dit punt de volgende meningen gevormd:
Hoge Raad d.d. 15 februari 1937, NJ 1937, 708: ‘Een tijdelijke afsluiting voor het rijverkeer ontneemt aan een weg niet het karakter van voor het openbaar verkeer openstaan.’
Hof 's-Gravenhage d.d. 9 december 1976, VR 1978, 8: In verband met asfalteringswerkzaamheden is een autoweg tijdelijk afgesloten en wordt het verkeer over de vluchtstrook geleid. Een zich op het afgesloten gedeelte bevindende vrachtauto, die na asfalteringswerkzaamheden achteruit rijdt om een paar putten met asfalt te vullen, rijdt een zich op een van de geasfalteerde rijstroken bevindende hulpkantonnier aan. Het Hof is van oordeel dat ondanks de tijdelijke afsluiting het bewuste weggedeelte een voor het openbaar verkeer openstaande weg blijft.
Hoge Raad d.d. 25 september 1981, VR 1982, 29: ‘Het oordeel van het Hof dat er wel sprake is van de aanleg van een weg maar dat de werkzaamheden nog niet zo ver zijn gevorderd dat reeds gesproken kan worden van een ‘weg’ in de zin van art. 1, lid 1, onder 1e WVW 1935, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent de term ‘weg’.’
Kantonrechter Wageningen d.d. 22 februari 1980, VR 1982, 66: De kantonrechter beantwoordt de vraag of een op de Ginkelse heide gelegen tankbaan als een voor het openbaar verkeer openstaande weg kan worden aangemerkt als volgt: ‘De tankbaan is voor een ieder toegankelijk. De toegang wordt noch door borden, noch door slagbomen, noch door hekken, noch anderszins ontzegd. Langs de hele tankbaan zijn meerdere mogelijkheden voor burgervoertuigen om zich op de tankbaan te begeven. Dat deze tankbaan in sommige gevallen niet door een burgerauto te berijden is door de af en toe slechte conditie van de weg, doet aan het ‘voor het openbaar verkeer openstaan’ niet af.’
Het meest vergaand in de gedachte over het begrip ‘voor het openbaar verkeer openstaand’ gaat prof. mr. J. Remmelink, voormalig procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, in zijn boek ‘Hoofdwegen door het Verkeersrecht’. Hij stelt hierin het volgende: ‘Moeilijke grensgevallen zijn een strand of een bevroren rivier, die enige tijd voor het verkeer gaat functioneren, zoals bijvoorbeeld in 1929 het geval was met de Oude Maas tussen Dordrecht en Zwijndrecht. Ik (Remm.) zou in beide gevallen willen spreken van een weg en zou derhalve de WVW en haar uitvoeringsreglementen van toepassing achten. Dat een strand voornamelijk door voetgangers en ruiters wordt gebezigd, dus een tamelijk eenzijdige verkeersfunctie heeft, is niet relevant; een voetpad dient ook uitsluitend voor voetgangers, toch is 't (het prototype van) een weg.’
Het logisch gevolg van het bovengestelde is dat de bestuurder van een auto die zich over het strand begeeft of zijn voertuig waagt op een dichtgevroren rivier in het bezit zal moeten zijn van een rijbewijs, een kentekenbewijs enz., terwijl zijn voertuig aan de inrichtingseisen van het Voertuigreglement dient te voldoen.
Uit het tweede deel van de definitie blijkt dat de in de wegen of paden liggende bruggen en duikers (waterdoorgang onder wegen of dijken) daarvan deel uitmaken en derhalve onder de werkingssfeer van de wegenverkeerswetgeving vallen.
Weg als één geheel / meerdere wegen
Tot slot bepaalt de definitie dat de tot de wegen behorende paden en bermen of zijkanten deel uitmaken van de weg. Dit laatste deel van de definitie brengt met zich mee dat als vuistregel gehanteerd kan worden dat onder het begrip ‘weg’ alles valt wat tussen de bermsloten - indien aanwezig - ligt. Het belang van het laatste deel van de definitie is dat dit voorkomt dat de verschillende delen van de weg als afzonderlijke wegen worden aangemerkt. Het komt regelmatig voor dat een weg is samengesteld uit een hoofdrijbaan en aan één of beide zijden daarvan gelegen ventweg(en), dan wel een rijbaan met daarnaast gelegen fiets- en of voetpaden. In het algemeen zullen deze samenstellingen worden aangemerkt als één weg.
Ingewikkelder wordt het wanneer ventwegen en fiets- en voetpaden verder van de hoofdrijbaan zijn afgelegen. Dan ontstaat de vraag of deze situatie één of verschillende wegen oplevert. Op dit punt zijn verschillende uitspraken gedaan die richting geven aan de meningsvorming hieromtrent:
Hoge Raad d.d. 31 oktober 1958, VR 1958, 120: Voorrangsweg met daarnaast een ventweg, die niet als voorrangsweg is aangeduid. Beide wegen vormen één weg in de zin van de WVW 1935. Van één weg kan zeer wel één der rijbanen als voorrangsweg zijn aangewezen, terwijl op elk van de rijbanen tweerichtingsverkeer is toegelaten.
Hoge Raad d.d. 23 mei 1967, VR 1967, 92: De verdachte rijdt als bestuurder van een personenauto over een weg en slaat links af. Daarbij komt hij in aanrijding met de bestuurder van een bromfiets, die rijdt over een naast de hoofdrijbaan gelegen secondaire weg. De Hoge Raad is van oordeel dat de in de bewezenverklaring bedoelde hoofdrijbaan en secondaire weg deel uitmaken van één weg in de zin van art. 1, WVW 1935. Bovendien is de secondaire weg op zo korte afstand van de hoofdrijbaan gelegen, dat de verdachte ten opzichte van de hem over de secondaire weg tegemoetkomende bestuurder van een bromfiets is aan te merken als bestuurder van een voertuig die naar links van richting wenst te veranderen.
Hoge Raad d.d. 22 december 1981, VR 1982, 36: Voor de beoordeling van de vraag of een uit meerdere delen bestaande weg moet worden aangemerkt als ‘dezelfde weg’, dan wel of die delen evenzovele afzonderlijke wegen vormen, is de feitelijke situatie ter plaatse, zoals die zich aan de weggebruiker voordoet, beslissend. De plaatsing van verkeerstekens kan daarbij van belang zijn.
Samenvattend kan worden gesteld dat bij een oordeel over het feit of een wegsituatie als één weg met meerdere rijbanen, dan wel als meerdere rijbanen dient te worden aangemerkt, de plaatsing van borden en verkeerstekens op het wegdek moet worden betrokken, omdat daaruit de bedoeling van de wegbeheerder kan worden afgeleid. Ook het karakter en de functie van de ‘ventweg’ moet worden bezien. Ten slotte dient acht te worden geslagen op het feit of er enige samenhang is tussen de ‘hoofdrijbaan’ en de ‘ventweg’, dan wel of die samenhang wordt verstoord door aanwezige bossages, (aanmerkelijke) onderlinge afstand, een verhoogde middenberm, een breed gazon of een waterscheiding.
Duidelijk moge overigens zijn dat langs de weg gelegen fietspaden over het algemeen tot de weg behoren, zolang deze paden liggen in de voor die wegen uitgezette tracés.
De zin van de beantwoording van de vraag of de onderhavige situatie één of meer wegen oplevert, is gelegen in de toepasselijkheid van de gedragsregels uit het RVV 1990. Men zie daarvoor de regelgeving ten aanzien van de plaats op de weg, het verlenen van voorrang, het afslaan en de werkingssfeer van verkeersborden.
Openbare weg / voor het openbaar verkeer openstaande weg
Voor de beantwoording van de vraag of een weg een openbare weg of een voor het openbaar verkeer openstaande weg is en wat het verschil tussen beide oplevert, moet worden teruggegrepen naar de Wegenwet van 31 juli 1930, Stb. 32.
In artikel 4, lid 1, Wegenwet wordt aangegeven wanneer een weg openbaar is en derhalve voor een ieder toegankelijk.
In artikel 4, lid 2, Wegenwet wordt bepaald dat een eigenaar (Rijk, provincie, gemeente enz.) het openbaar worden van een weg kon voorkomen door het plaatsen van een bord ‘Particuliere weg’, ‘Private weg’, ‘Eigen weg’ of iets dergelijks.
Het gevolg van openbaarheid van een weg is dat er verplichtingen op de wegbeheerder rusten zoals een onderhoudsplicht, een inspanningsplicht ten aanzien van gladheidsbestrijding en het in principe toelaten van alle vormen van verkeer.
Met betrekking tot het bovenstaande valt te denken aan verantwoordelijkheid voor de wegbeheerder bij boven het wegdek uitstekende tramrails, gaten in het wegdek, slipgevaarlijk wegdek, onvoldoende markering bij wegwerkzaamheden en een volslagen nalaten van gladheidsbestrijding. Het niet nakomen van de hiervoor genoemde verantwoordelijkheden kan civielrechtelijke gevolgen voor de wegbeheerder met zich meebrengen.
Indien een weg op grond van de Wegenwet niet openbaar is, zal de eigenaar ook niet voor bovenstaande onvolkomenheden verantwoordelijk kunnen worden gesteld.
Uitgaande van het feit dat een wegbeheerder van een openbare weg onder andere heeft te zorgen voor een behoorlijk wegdek is de vraag naar de toelaatbaarheid van het aanbrengen van verkeersdrempels interessant, indien daardoor een ongeval of anderszins schade ontstaat. Vanuit de gedachte van de Wegenwet (artikel 6) lijken er bezwaren te bestaan tegen dit soort verkeersontregelende obstakels in het wegdek, met name wanneer deze drempels qua vormgeving zodanig zijn dat een argeloze weggebruiker hierdoor gevaar zou lopen. Wanneer de wegbeheerder echter een aantal zorgvuldigheden inbouwt, zoals een behoorlijke vormgeving en een waarschuwing voor de nadering van de drempel, lijkt het dat de wegbeheerder zich binnen zijn beleidsvrijheid beweegt.
Ten slotte geeft de Wegenwet in artikel 27 aan dat in iedere gemeente een wegenlegger aanwezig dient te zijn waarop de openbare wegen van de gemeente, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, moeten voorkomen.
De toepasselijkheid van de WVW 1994
Wanneer de vraag wordt gesteld of op een weg de wegenverkeerswetgeving van toepassing is, is slechts relevant het argument of de betreffende weg ‘een voor het openbaar verkeer openstaande weg’ is. Dit leidt tot de stelling dat een openbare weg (een begrip uit de Wegenwet) de juridische status van een weg omvat, terwijl het begrip voor het openbaar verkeer openstaand (een begrip uit de WVW 1994) de feitelijke situatie van de weg betreft. Het kan derhalve voorkomen dat een weg juridisch (vanuit de Wegenwet) niet openbaar is, doch dat de Wegenverkeerswet er wel op van toepassing is.
Een voorbeeld moge dit duidelijk maken: Langs een parallelweg van een rijksweg staat een bordje met de navolgende tekst: ‘Eigen weg. Rijkswaterstaat. Verboden voor onbevoegden’. Dit bord brengt met zich mee dat de betreffende weg een niet-openbare weg is (uit de Wegenwet) en dat derhalve geen eisen kunnen worden gesteld aan een goed wegdek of aan gladheidsbestrijding. De feitelijke situatie leert echter dat een ieder van deze parallelweg gebruik maakt c.q. mag maken en dat geen enkele gebruiker van deze parallelweg wordt geweerd. Dit gegeven maakt dan dat de betreffende weg wel een voor het openbaar verkeer openstaande weg (uit de Wegenverkeerswet) is en dat daarop derhalve de bepalingen vanuit de Wegenverkeerswetgeving van toepassing zijn. Iemand die zich bijv. met een auto over deze weg voortbeweegt, zal een geldig rij- en kentekenbewijs moeten hebben.
De rechtspraak heeft zich onder andere op de volgende wijze uitgelaten over de werkingssfeer van de wegenverkeerswetgeving op wegen waar door de wegbeheerders in het gebruik van die wegen beperkingen waren aangebracht:
Hoge Raad d.d. 1 december 1959, VR 1960, 65: De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank het feit dat de weg een voor het openbaar verkeer openstaande weg is heeft kunnen afleiden uit de omstandigheden dat:
- de weg het aanzien heeft van een voor het openbaar verkeer openstaande weg van gelijke rangorde als de gekruiste weg;
- de weg leidt naar een publiek parkeerterrein, een haltestation voor autobussen van een openbare busdienst en een voor het publiek toegankelijk benzinestation;
- de verkeersborden zodanig zijn geplaatst als ware de weg een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
Aan de openbaarheid hoeft niet af te doen, dat de weg voor fietsers en andere categorieën weggebruikers gesloten is verklaard, noch het feit dat de weg niet voor doorgaand verkeer bestemd is.
Hoge Raad d.d. 18 februari 1969, VR 1969, 26: De enkele omstandigheid dat door of namens de eigenaar of beheerder van een weg is kenbaar gemaakt dat deze zich de beslissing om uit te maken of iemand al dan niet van die weg gebruik mag maken heeft voorbehouden, vermag niet de gevolgtrekking schragen dat die weg niet is een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Deze woorden hebben dezelfde betekenis als de woorden ‘wegen, welke voor het openbaar verkeer openstaan’ in art. 1, lid 2 van de voormalige Motor- en Rijwielwet, waar blijkens de geschiedenis van de totstandkoming ervan onder die omschrijving zijn begrepen wegen, welke slechts bij gedogen van de eigenaar voor het algemeen verkeer openstaan en de wet toepasselijk wordt geacht op alle wegen die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaan, onverschillig uit welke oorzaak. Het kenbaar maken aan de weggebruikers van een voorbehoud behoeft niet uit te sluiten, dat een weg feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat.
Hoge Raad d.d. 6 juni 1995, nr. 613-94-V: De betrokkene heeft zijn auto op de stoep geparkeerd. In zijn beroepsschrift voert hij aan dat deze overtreding is gepleegd op privé-terrein en de wegenverkeerswetgeving dus niet van toepassing is. De kantonrechter overweegt dat de vraag of een weg voor het openbaar verkeer openstaande weg is, beantwoord dient te worden aan de hand van de feitelijke situatie ter plekke en meer in het bijzonder of er voorzieningen, zoals slagbomen en dergelijke, zijn aangebracht. Uit hem ter kennis gebrachte foto's leidt de kantonrechter af dat er in dit geval geen voorzieningen zijn aangebracht die het openbaar gebruik van de weg voor het bedrijfsgebouw belet. Slechts de parkeerplaatsen en dus niet de stoep er naast zijn bestemd voor het bedrijf. De kantonrechter is van oordeel dat zelfs indien er borden hadden gestaan als ‘eigen weg’ of ‘verboden voor onbevoegden’ het een voor het openbaar verkeer openstaande weg blijft, waar de wegenverkeerswetgeving van toepassing is.
De Hoge Raad acht het oordeel van de kantonrechter feitelijk en niet onbegrijpelijk en verwerpt het daarentegen door de betrokkene ingestelde beroep.
Hoge Raad d.d. 11 maart 1975, VR 1975, 102: Beslissend voor het karakter van een weg als voor het openbaar verkeer openstaand is of de weg feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat. Daarvan kan ook sprake zijn indien de weg slechts wordt bereden door verkeersdeelnemers die gebruik willen maken van de diensten van een benzinestation.
Hoge Raad d.d. 24 juni 1975, VR 1976, 7: Een weg binnen een overdekte parkeergelegenheid is een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
Hof 's-Hertogenbosch d.d. 4 november 1980, VR 1981, 32: Het feit dat de hoofdtoevoerweg naar de ingang van een bejaardenhuis een particuliere weg is, neemt niet weg dat die toevoerweg moet worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Die weg is immers voor een ieder vrij toegankelijk. Ter plaatse zijn derhalve de verkeersregels van kracht zoals die gelden voor het verkeer op voor het openbaar verkeer openstaande wegen.
Ktg. Eindhoven, 9 september 1997, VR 1998, 58: In het onderhavige geval stelt appellante dat zij de auto heeft geparkeerd op een strook grond dat deel uitmaakt van het haar in eigendom toebehorende perceel. Op de overgelegde foto's is te zien dat appellante haar auto's heeft geparkeerd voor de showroom op het voor het openbaar verkeer openstaande en van de openbare weg deel uitmakende trottoir. Dat de strook enigszins afwijkend geplaveid is, is daarvoor van ondergeschikt belang. Ingevolge literatuur, jurisprudentie en doctrine is aanvaard dat de wegenverkeerswetgeving van toepassing is op alle wegen die voor het openbaar verkeer openstaan. Voorzover in deze zaak van belang was er geen enkele beperking voor de toegankelijkheid (een afzetting door het plaatsen van enkele pilonen kan bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt) van het weggedeelte waar de auto stond geparkeerd - niet feitelijk en niet naar verkeersopvattingen -, zoals evident is dat de wegenverkeerswetgeving in casu van toepassing is.
Hoge Raad, 3 november 1998, VR 1999, 91: 3.3. De voorschriften van het RVV 1990 zijn van toepassing op wegen als bedoeld in art. 1, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994, derhalve op alle voor het openbare verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van (...) de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een weg in vorenbedoelde zin is volgens vaste rechtspraak beslissend of de weg feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat, ongeacht de omstandigheid of deze op particulier terrein ligt. Van belang zijn daarbij de feitelijke omstandigheden, zoals of de rechthebbende duldt dat het algemeen verkeer gebruik maakt van die grond.
3.4. De betrokkene heeft bij het kantongerecht aangevoerd dat de parkeerplaats behoort tot het eigen terrein van de winkelketen Konmar en ook als zodanig is aangeduid. De kennelijke opvatting van de betrokkene dat deze omstandigheid op zichzelf reeds meebrengt dat geen sprake is van een voor het openbaar verkeer openstaande weg, is, zoals volgt uit het hiervoor onder 3.3 overwogene, onjuist. Ook de door de betrokkene in cassatie aangevoerde omstandigheid dat het parkeerterrein ‘een uur na sluitingstijd van de Konmar met een hek wordt afgesloten’ staat, nu het daarbij klaarblijkelijk gaat om een tijdelijke afsluiting, niet eraan in de weg dat het terrein gedurende de tijd dat het niet is afgesloten voor het openbaar verkeer openstaat.
Toch bestaan er grenzen in de rechtspraak aan de reikwijdte van de wegenverkeerswetgeving, zoals blijkt uit het volgende arrest:
Hoge Raad d.d. 12 januari 1982, VR 1982, 41: Een weg die vrij toegankelijk is voor bepaalde categorieën van personen - in concreto de bewoners van Veenhuizen en houders van pasjes of toegangsbewijzen waarvan de geldigheidsduur beperkt is - terwijl de overigen de toegang is ontzegd door borden met het opschrift: ‘Verboden toegang, art. 461 Sr’ is niet een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
De WVW 1994 en het RVV 1990
In lagere wetgeving, te weten het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is nadere invulling gegeven aan hetgeen door de wetgever ten aanzien van ‘wegen’ in de WVW 1994 is gesteld. In het RVV 1990 zijn in artikel 1 daartoe definities gegeven van de begrippen: busbaan (onderdeel j); busstrook (onderdeel k); doorgaande rijbaan (onderdeel m); fietsstrook (onderdeel n); invoegstrook (onderdeel s); kruispunt (onderdeel t); parkeerhaven of parkeerstrook (onderdeel ab); rijbaan (onderdeel ad); rijstrook (onderdeel ae); uitrijstrook (onderdeel ag); verdrijvingsvlak (onderdeel ai); vluchthaven of vluchtstrook (onderdeel ak).
De wijze waarop door de verschillende verkeersdeelnemers van de weg of de diverse onderdelen daarvan gebruik moet worden gemaakt, wordt geregeld in het RVV 1990, Hoofdstuk II, paragraaf 1, de artikelen 3 t/m 10.
Frans
Beheerder
Beheerder
- MotoRon
- Beheerder
- Berichten: 7708
- Lid sinds: 02 okt 2005, 08:38
- Roepnaam: Ron
- Locatie: N-Brabant
- Geslacht:
- Leeftijd: 64
- Contact:
Re: Defenitie openbare weg
Met alle respect, maar je vraagt bij de start van het topic om een openbare weg.Anonymous schreef:Bedankt voor de reaktie's, maar de wegenwet heb ik het nu even niet over. het gaat om de Wvw 1994. Er zit een essentieel verschil in beide defenitie's.
In de WVW 1994 treft je geen definitie aan van het begrip openbare weg. Die definitie komt uit de Wegenwet. Als je dan zo goed weet dat er een essentieel verschil zit in de definitie weg uit de WVW, en de definitie openbare weg, was het dan niet handiger geweest om wat duidelijker te zijn in de vraagstelling?
MotoRon
Beheerder
Beheerder
- ThunderSTreak
- Moderator
- Berichten: 5958
- Lid sinds: 18 jul 2004, 16:06
- Locatie: Ulvenhout
- Geslacht:
- Leeftijd: 64
- Contact:
Tja, ik vraag mij inmiddels ook af wat nu eigenlijk de vraag is van de vragensteller. Mogelijk dat hij/zij kan aangeven of er nu inmiddels al een antwoord is of wat er dan nog onduidelijk is in de specifieke situatie waar vraagsteller op duidt.
Met vriendelijke groet,
ThunderSTreak
drive safe4safety
ThunderSTreak
drive safe4safety
-
J
- Infopolitie Gast
Mijn vraag is inmiddels beantwoord.ThunderSTreak schreef:Tja, ik vraag mij inmiddels ook af wat nu eigenlijk de vraag is van de vragensteller. Mogelijk dat hij/zij kan aangeven of er nu inmiddels al een antwoord is of wat er dan nog onduidelijk is in de specifieke situatie waar vraagsteller op duidt.
Mijn excuses voor het feit dat sommigen niet in staat waren om mijn vraag te begrijpen. Voor mij was hij duidelijk, maar elke dag leer ik weer bij. Het ging mij om de bepaling in defintie van de WVW en het daarin gestelde mbt tot openbaarheid.
Allemaal hartelijk dank voor uw moeite om mij te helpen.
gr Jack